Lise Surmont
April 2026
Lise Surmont (°1991) belicht in haar poëzie zowel de verwondering in elke dag als het ongezegde.
Ze houdt ervan te observeren en te luisteren, om te vinden wat mensen verbindt. Voor haar is poëzie honger naar liefde, ze houdt ons wakker.
Lise kreeg als Cultureel Ambassadeur (2022-2024) de steun van Stad Roeselare voor de verwezenlijking van haar eerste poëziebundel ‘Wij zijn zwanen’. Het boek werd in eigen beheer uitgebracht en gedrukt bij Die Keure in Brugge. In haar bundel gaat een zintuiglijke wereld open. Woorden roepen kleuren en texturen op, zo tastbaar dat ze zich als stillevens laten zien. Eerder publiceerde ze bijdragen in Grenzeloos (Schrijvers van Sluis), Reveil, het fotoboek Goodnight van Femke Den Hollander en Vers Roeselare.
Tijdens de residentie in Oostburg (maart 2026) schreef ze poëtische kortverhalen onder de titel Onder de windroos. In dit boek legt Lise in haar persoonlijke odyssee puzzelstukken samen over wat het betekent om thuis te komen: in jezelf, op een plek, bij een ander.
Over bruggen, vrijheid en nabijheid, liefde doorheen landkaarten.
De monarchvlinder, Stille Oceaan en Grote Beer zijn metgezellen onderweg.
Water stroomt uit haar bedding en verzilvert het hele landschap.
Een vrouw fietst door een sterrenstelsel, haar afwezige geliefde als fantoomhuid.
Ze beweegt met een denkbeeldige zeemeerminstaart en duikt in het zonlicht.
Alles is anders dan verwacht en al wat uiteen viel, valt ook weer samen.
Website: https://lisesurmont.wixsite.com/sapphosspiegel
Persartikel: https://pers.roeselare.be/238130-cultureel-ambassadeur-lise-surmont-laat-je-kennismaken-met-haar-eerste-poeziebundel
Het Schip
Het is Zee die mij meer zal vertellen over ons verleden en onze toekomst,
ons samenvallen en ons
uit elkaar vallen.
De scheidingslijn is moeilijk te lezen: zeewater beweegt zich over zand en
tekent met zout grillige lijnen die vertellen over komen en gaan.
Ik denk rechtstreeks naar Zee te gaan, maar het is haar magnetisme dat stuurt en ik voel: het is in een beweging van eb en vloed dat ik haar op een dag zal bereiken. Ik volg haar getijden,
trek me terug en spoel weer aan.
Ik voel haar door me heen bewegen en ik weet dat de fysieke aankomst niet de bestemming is,
zij is al in mij. Ik ben al in haar.
In nabije verte, in verre nabijheid.
We golven onder elkaars huiden en wakkeren aan, we heten elkaar welkom als meerminnen met echo’s, echo’s, echo’s die — uit geen en alle richtingen tegelijkertijd komen.
Zee is als Selene, godin van de maan.
Zee is wisselend, doorschijnend als een kwal.
Ze kent alle kusten en kiest het diepe,
ze vertrekt en komt aan wal.
Ze tast over een dunne lijn.
Ze verleidt en dreigt, ze bevrijdt en wiegt, ze is zacht en koud,
onvoorspelbaar en oeroud.
Ze bevalt en wordt geboren, rolt en zwelt aan.
Niemand weet; waar komt zíj vandaan?
Ze maakt zinnen, daalt in waar ik sta.
Ik wandel langs haar lijnen, voel haar tussen mijn dijen.
Krachtig en onstuimig, speels en sensueel.
Ze is zo vaak doorzwommen en herbergt nog zoveel, —
geheim plankton en vriendelijk wier.
Ze baart oesters met parels, die wij rijgen als sier.
Zee zou Zee niet zijn als ze niet alleen komt, maar ook gaat.
Het is in de schuimkoppen van haar branding waar magie ontstaat.
In mijn poging om haar vast te houden, verzamel ik wat minstens honderd jaar oud is.
Het is nooit te laat.
Terwijl ik aan het beeld van Maria in meerschuim denk, schijnt in de verte een schip door de mist.
Boven waarschuwen wolken door van gedaante te veranderen: ze roepen de vorm van Parnassus op. Voor het eerst zie ik Zee eindigen aan de horizon, scherp als ijzer en met een rommelend geluid diep uit haar baarmoeder. Hetzelfde geluid komt uit mij terwijl ik het schip achterna ren, ren,
opstuivend,
van de grond los, —
schreeuw, scheur,
scheiding,
oerpijn
stilte.
Op de boeg staat een naam in het lettertype van oogtestkaarten.
Met dichtgeknepen wimpers houd ik de wind buiten mijn vizier, lees de letters één voor één —vanuit de verte plooi ik mijn lippen en krul mijn tong. Een toeschouwer zou kunnen denken dat ik de lucht kus.
Terwijl het woord in mijn mond valt, proef ik opnieuw haar naam:
ze smelt,
ik neem ze op,
proef ze fijn,
vergeet ze nooit.
Fotografie: © Oscar van Beest 2021
Lise Surmont
April 2021
Lise Surmont (1992) laat zich inspireren door haar zoektocht naar schoonheid in kunst en natuur. In haar teksten belicht ze
zowel de verwondering in elke dag, als het ongezegde. Ze houdt ervan te observeren en naar dialogen te luisteren, om te ontdekken wat mensen bezighoudt en wat hen verbindt. Voor haar is poëzie honger naar liefde, ze houdt ons wakker. Eerder publiceerde ze bijdragen binnen de uitgaven van Reveil, in het fotoboek ‘Goodnight’ van Femke Den Hollander, en Vers Roeselare. Ze werkt als journaliste in West-Vlaanderen, waar ze met haar poëzie een aantal voordrachten gaf. Tijdens de residentie in Hoeve Welgelegen, schreef ze verder aan gedichten en poëtische kortverhalen die samen een bundel vormen over zwaaiende handen, kristallijnen, een egeltje in het gras, luisteren, fluweel, cadmiumrood, sporen van gisteren en de horizon die altijd is. Over waaien en opnieuw geboren worden. Samen met de raaf, de nachtuil en de zwaan. Over adem en de angst om te vergeten.
Bekijk hier de video van Lise Surmont
ZEELAND
wij ontwaken aan de voet van de blanke top
rondom huizen half ingegraven
geworteld in het polderlandschap
de stilte zwevend en waterig
in onze slaapkamer
het oog van de storm
we ontwaken uit de bedstee
het woordeloze kruipt overal
tussen de gele tulpen en tussen ons in
twee paar gloeiende kaken en ogen als hete kolen
tranen laten zich niet wegkussen
ze drogen zoutig in onze wangen
traag als druppels tussen het wier
wij stromen over
elke dag een beetje meer
Fotografie: © Oscar van Beest 2021