Miek Smilde

december 2025

Verblijf van donderdag 11 tot en met vrijdag 19 december 2025

Miek Smilde (1966) is schrijver, dichter en onderzoeksjournalist. In 2011 publiceerde zij bij de Arbeiderspers het literaire non-fictieboek Raarhoek over de naoorlogse geschiedenis van de psychiatrie. Daarna volgde bij dezelfde uitgever twee romans en twee dichtbundels. Gloria in excelsis Deo (2013) gaat over de succesvolle advocate Anna die na vijf gezonde kinderen een dochter met het syndroom van Down krijgt. In Dorsmans dood (2019) worstelt rechter Pieter Coorn met zijn geweten. De dichtbundel De achterkant van juni verscheen in 2016 met daarin onder andere de cyclus ‘de zeven hoofdzonden’. In De Dingen staan veertig gedichten die wortelen in de tradities van de vijf wereldgodsdiensten.

Miek studeerde Nederlandse taal- en letterkunde en rechten en later religiewetenschappen (premaster). In een wereld waarin succes een keuze lijkt te zijn, zoekt zij naar de rafelranden van het onvolmaakte.

www.mieksmilde.nl

Een week in Oostburg

Elke schrijver begint als lezer. Of eigenlijk als luisteraar. Wie als kind veel wordt voorgelezen, krijgt een voorsprong als het gaat om de liefde voor letters. Mijn moeder las mij voor uit de stichtelijke boeken van W.G. van der Hulst, maar volgde ook trouw de Kinderboekenweek en kocht steevast het winnende boek. Zo maakte ik onder andere kennis met De zoon van de woordbouwer van Frank Herzen, dat ik als achttienjarige als extra titel op mijn verplichte leeslijst zette, samen met het Bijbelboek Prediker. De sprookjes van Godfried Bomans – en dan in het bijzonder ‘Het Lijstermeisje’ – en Het sleutelkruid van Paul Biegel zijn andere boeken die ik mij goed herinner.

Om de lege dagen in Oostburg te vullen op de momenten dat mijn eigen woorden zouden stilvallen, nam ik een boek mee waarmee ik, gezien zijn omvang, genoeg tijd kon vullen. Een boek over een schrijver die ongeveer tegelijkertijd met mij korte tijd Nederlands studeerde aan de Universiteit van Amsterdam, voordat hij doorbrak als schrijver: Joost Zwagerman. 

Achteraf gezien had ik beter een ander boek kunnen meenemen. Het lezen van de biografie Zwaag, geschreven door Maria Vlaar, blokkeerde namelijk meer dan eens mijn eigen ambitie een nieuw boek te schrijven. Ik werd teruggevoerd naar de jaren tachtig, toen er nog ruim honderd studenten Nederlands op de UvA studeerden en ‘literatuur’ een bijzondere aantrekking uitoefende op lezers als ik. Gaandeweg de studie ergerde ik mij echter in toenemende mate aan mannen als Zwagerman of A.F.Th. van der Heijden die zich als pasja’s gedroegen en verwachtten dat iedereen, en dan met name vrouwen, voor hun talent zou zwichten en het met dienstbaarheid ruimte zou geven. Het kan afgunst zijn geweest, maar de boeken van A.F.Th. vond ik te dik en Joost was een begenadigd verteller, maar geen adembenemend schrijver. En toen kwam Connie Palmen, die al snel, en bij herhaling vertelde dat echte kunstenaars nooit moeder konden zijn, terwijl het grootste deel van haar oeuvre over de dienstbaarheid aan, of overgave aan anderen (en dan vooral mannen) gaat.

Deze leeservaringen, in combinatie met de ingewikkelde arbeidsmarkt in de vroege jaren negentig, brachten mij ertoe naast Nederlands ook rechten te gaan studeren en zetten mij op het spoor van de journalistiek die dichter bij de werkelijkheid leek te staan dan de literaire wereld van dat moment. Twintig jaar en drie dochters later publiceerde ik alsnog mijn eerste roman, waarna nog twee dichtbundels, een tweede roman en meer dan tien boeken ‘in opdracht’ volgden.

In Oostburg werkte ik aan mijn derde roman die vier decennia (1985-2025) omvat. Het levensverhaal van Zwagerman, dat Vlaar tot het intiemste detail uitploos, confronteerde mij indringend met de vraag waarom zoveel mensen schrijver willen zijn, terwijl het aantal lezers de afgelopen veertig jaar is teruggelopen. Veertig jaar nadat ik mij inschreef als student Nederlands aan de UvA is er nog maar een handjevol studenten dat voor de studie kiest. Door de tweefasestructuur kreeg ik als doctoranda geen lesbevoegdheid meer en ging ik dus niet voor de klas staan, ook niet toen ik dat later in mijn carrière best graag had gedaan. Het lerarentekort is sindsdien alleen maar toegenomen en met name docenten Nederlands zijn er veel te weinig. Nederlandse scholieren zijn de slechtste lezers van West-Europa. En wie geen lezers meer kan opleiden, verliest ook schrijvers en daarmee een deel van zijn culturele identiteit.

Zal ik mijn roman voltooien, nu ik weet dat het boek hoogstens een paar duizend lezers zal vinden? Is het de moeite van de eenzaamheid waard om opnieuw te doorleven wat mij als schrijver, vrouw én moeder de afgelopen veertig jaar heeft gevormd? Ik weet het oprecht niet. In de week in Oostburg treurde ik vooral om het verdrietige, bodemloze verlangen van Joost Zwagerman om gezien en gevoeld te worden, een verlangen waartegen ook zijn eigen boeken niet waren bestand.

Misschien is het tijd om De zoon van de woordbouwer te herlezen.

 

Christel Jansen

Fotografie: © Oscar van Beest 2025

Wij werken samen met: