Aanmelden Schrijvers
Residenties bekijken
Overzicht schrijvers
Lara Billie Rense
maart 2026
(radio)presentator, vooral bekend van NPO Radio 1 (Nieuws en Co, Wat
Blijft). Rense is de eerste non-binaire radiopresentator in Nederland
en debuteerde in 2024 als schrijver met ‘Een zee van ruimte’. Rense
schrijft voor De Groene Amsterdammer en maakte de podcast Waar slaap
je? over dakloosheid onder vrouwen en kinderen. Elk vrij moment is
Rense vogelend buiten te vinden. ‘De natuur wijst me de weg.’
Sluis
Het is begin maart en ik loop wat verloren rond in een huis dat niet van mij is. Het is groot, eigenlijk veel te groot voor één persoon. De eigenaresse heeft me ontvangen met een brief vol lieve woorden. Ik mag hier tien dagen blijven. Alles gebruiken wat ik wil. Het voelt genereus en een beetje ongemakkelijk tegelijk, alsof ik iets heb gekregen waar ik geen recht op heb. Maar ik wil graag alleen zijn en schrijven en ik heb wat te verwerken, dus toen de mogelijkheid zich aandiende, heb ik ja gezegd. Dat leek me op dat moment een goed idee.
Het grote huis hangt om me heen als de oude suède jas van mijn vader: te ruim, zwaar op mijn schouders. Een omhulsel waarin je kunt verdwijnen, waarin je lichaam zoekt naar een manier om zich ertoe te verhouden en met een geur die ik vaag herken, maar die niet van mij is.
Buiten staat het seizoen op springen. Vanuit de woonkamer met open haard zie ik hoe in de tuin de knoppen van de hazelaar en de esdoorn al gezwollen zijn, alsof ze wekenlang hun adem hebben ingehouden in afwachting van dit moment. Alleen de beukenhaag houdt nog even vast aan de winter, koppig bruin. De blaadjes van deze beuk laten pas los als de nieuwe zich aandienen. Bij mensen zouden we spreken van seriële monogamie; voor dit soort beuken is het bescherming tegen vraat en uitdroging. Misschien is seriële monogamie ook een vorm van bescherming, misschien willen sommige mensen gewoon even niet alleen zijn.
In de tuin staan de narcissen al fier overeind, de krokussen ook, iets parmantiger zo dicht bij de grond. Bij de eerste stijging van de temperatuur zijn ze allebei meteen omhoog geschoten. Het grasveldje is grotendeels bedekt met mos. Mos is een signaal. Het groeit geduldig. Het nestelt zich in de open plekken waar het gras dun is en houdt daar vocht vast. Gras heeft licht en lucht nodig. Mos wint langzaam terrein, niet door te verdringen, maar door aanwezig te blijven waar het gras het niet redt.
Binnen neem ik voorzichtig ruimte in. Ik leg mijn kleding in de kast, twee planken, meer dan genoeg. Het voelt overdreven ordelijk, alsof ik iemand probeer te overtuigen dat ik hier hoor. Of misschien ben ik dat vooral zelf. Ik schuif mijn T-shirts, broeken en onderbroeken strak gevouwen op de planken. Ik leg wat boeken in stapeltjes in de werkkamer, mijn laptop en notitieblok ernaast. Mijn auto staat nog op de oprit, vol met kansen en mogelijkheden: nog een paar boeken die ik niet allemaal ga lezen, schoenen voor routes die ik misschien niet ga lopen, een verrekijker voor vogels die ik nog wil zien, mijn racefiets voor het geval ik ineens een andere versie van mezelf word die elke ochtend om zeven uur strak tegen de wind in gaat. Een oude gewoonte: voorbereid zijn op alle mogelijke levens die ik waarschijnlijk niet ga leiden.
Zij keek daar altijd naar met lichte verbazing, een soort liefdevolle verwarring. En nu is ze weg. Die zin heeft nog steeds geen vaste vorm. Hij blijft schuiven, als water dat geen bedding vindt. Soms denk ik: ze is weg. Soms denk ik: ze komt nog terug. Steeds vaker denk ik: ik wil niet dat ze terugkomt, het is beter zo. En af en toe denk ik helemaal niets, dan is het even stil, wat op dit moment het dichtst in de buurt komt van geluk. Al vind ik geluk niet iets om naar te streven, eerder iets dat zich af en toe laat vaststellen. Dat het nu even lijkt te kloppen.
’s Middags krijg ik met moeite de haard aan. Het hout uit de schuur moet nog wat drogen in het vuur. Maar dan moet ik het vuur wel aan krijgen. Met wat kleiner gekloofd hout, wat droge, gebroken takken en een aanmaakblokje lukt het uiteindelijk, voorzichtig, alsof het eerst wil weten wat hier precies de bedoeling is. Ik ben zelf ook benieuwd. Al weken draaien in mij dezelfde gedachten en gevoelens rond. De vrouw met wie ik anderhalf jaar geleden ben getrouwd, heeft me verlaten. Dat klinkt nog altijd als iets dat bij iemand anders hoort. Het lijkt steeds of ik het ergens lees en denk: wat heftig voor die persoon.
Ik ga zitten in een felgroene leren stoel, het zonlicht valt precies op mijn gezicht, ik staar voor me uit. Denken en voelen lossen langzaam op in een soort doelloos dwalen. De warmte van de haard verwarmt de zijkant van mijn lichaam. Denken en voelen bewegen even zonder richting, onrustig wel, maar vreemd genoeg ook veilig. Alsof ik even niets hoef te begrijpen. Misschien zijn de warmte en de stoel samen een omhelzing.
Relaties stoppen zelden netjes. Ze eindigen niet zoals een trein die keurig afremt bij een perron, met een omroepstem die je bedankt voor het reizen en je eraan herinnert je bagage niet te vergeten. In werkelijkheid eindigen ze rommelig, half uitgesproken, met zinnen die blijven hangen als zwarte aarde onder je nagels. Of ze stoppen zoals een zwerm spreeuwen die plotseling van richting verandert: niemand heeft het afgesproken, iedereen voelt het, en achteraf doet iedereen alsof het logisch was.
Ik merk dat de pijn van het verlaten worden zich als een rank om mijn hart heeft geklemd. Daar, in de groene stoel, met de zon op mijn gezicht, voel ik hoe de dunne stengels zich verder vastzetten, zich ergens omheen slaan waar ik zelf niet bij kan. Het is fascinerend hoe iets zo abstracts zo fysiek kan aanvoelen. Mijn lichaam lijkt een eigen interpretatie te maken van verdriet, misschien heb ik het nodig dat het even heel tastbaar is.
Jezelf in zo’n staat verplaatsen naar een plek die je niet kent, is gewaagd. In de dagen die volgen probeer ik iets van ritme te creëren. Als je niets hoeft, kun je gemakkelijk verslonzen. Waarom zou ik niet elke dag in mijn onderbroek en slaapshirt, ongewassen, achter mijn computer plaatsnemen? Niemand die me ziet. Niemand die me ruikt. Misschien is het zo dat ik aan de rand van de afgrond sta en het zicht op de diepte me tegenhoudt? Ik kook elke dag voor mezelf en sta ik op tijd op om te werken en te schrijven. Liefdesverdriet verwerk je ook met discipline. Dat had niemand me verteld, maar het blijkt verrassend goed te werken. Het is bijna administratief, taken uitvoeren omdat het moet: bewegen, eten, werken. Structuur als een soort tijdelijke steiger rondom een instortend gebouw. En ik laat me af en toe gaan, een beetje. Elke avond twee biertjes en een sigaret. Maar dan wel één. Gedisciplineerd verval. Ik stel me voor dat iemand later zegt: die ging kapot, maar wel met mate.
De volgende dag pak ik een zwarte fiets zonder versnellingen uit de garage en rijd tegen de wind in. Ik laat mijn racefiets nog even staan. Die versie van mij komt later wel weer, denk ik, als hij nog bestaat. Na een flink stuk over een fietspad, waar geen einde aan lijkt te komen, staat het zweet op mijn rug. Ik besluit een onverhard kronkelpad in te slaan dat zich boven het vlakke land uitstrekt. Aan weerszijden staan rijen knotwilgen. Ze steken uit de grond als dansende lichamen: gebogen stammen met op het einde een gebalde vuist. Sommige hebben nog dunne, lange armen van takken die naar het licht reiken.
Bij een oude wilg stap ik af en leg de fiets in het hoge gras. De stam van de wilg is gespleten en van binnen hol. Aan één kant zit vlekkerig geel korstmos en als ik dichterbij kom, vliegt er een vogeltje uit de holte. Een vink, denk ik, er zit wit op de vleugels. Ik hurk en kijk in de boom. Het hout is in het midden zacht geworden, bijna verdwenen, terwijl de randen nog leven. In de leegte groeit en krioelt van alles: gras, brandnetel, kleine dingen die geen naam nodig hebben om er te zijn. Pas als je langer kijkt, zie je de aarde wat bewegen. In de aanwezige afwezigheid is ruimte voor iets nieuws, iets anders.
Ik merk hoe mijn gedachten zich weer vastzetten. Ik wil terug. Naar een gesprek dat helderheid geeft, naar een moment waarin alles zich laat uitleggen, alsof de relatie een tekst is die met de juiste volgorde alsnog klopt. Ik lees steeds opnieuw onze appberichten op zoek naar sporen, aanwijzingen die ik over het hoofd heb gezien. Ik moet daarmee stoppen, het brengt me nergens. Alsof het anders was gegaan als ik beter had gekeken, beter had geluisterd, minder mezelf was geweest of juist meer. Misschien was alles gewoon één grote grap en heb ik de clou gemist.
Maar hier, in dit landschap, haken de bewegingen van mijn gedachten nergens aan vast. Er is niets dat ik herken, geen houvast. De ruimte vouwt zich open. Geen randen, geen duidelijke lijnen, behalve af en toe een boerderij en heel veel populieren en knotwilgen. En de zee is dichtbij, op veel plaatsen loopt water moeiteloos over in land. En overal in het hoge gras staan reigers, wit en blauw, als standbeelden jagen ze met precisie en ingehouden adem. Wonderlijk toch hoe stoïcijns vogels doorgaan met leven en overleven. Noodzakelijk gericht op dingen waarop ze invloed hebben zoals eten, jagen, slapen.
Over het einde van de verbintenis met mijn ex voel ik geen enkele controle. En de hechting tussen ons bestond nooit uit één stevige wortel die zich diep vastzette. Het was meer zoals mos. Zacht, wijdvertakt, afhankelijk van wat het tegenkomt. We zochten samen intuïtief onze weg. Niemand had gedaan wat wij deden, mensen om ons heen waren verbaasd dat we voor elkaar hadden gekozen. En na twee jaar begonnen we zelf ook te voelen dat we verschilden op een manier die aandacht nodig had. Maar ons leven was vol, er gebeurde veel, misschien te veel. We vergaten echt te praten. Of we gingen het uit de weg.
Mos zoekt geen diepte, maar nabijheid. Kleine contactpunten: een blik, een aanraking, een stilte die precies goed valt, totdat de stilte langer duurt dan gewoonlijk. Stilte kan ook een signaal zijn, je moet het alleen wel willen zien of net iets beter je best doen om het op te merken. En nu is alles weg. De natuur is meedogenloos en helder tegelijk. Wat niet meer draagt, valt uiteen. Wat ruimte krijgt, groeit.
Mijn vasthouden kost energie. Ik merk hoe moe ik ervan ben. Hoe ik de relatie blijf herschrijven, alsof het een roman is die met een andere structuur ineens wel werkt. Maar sommige verhalen zijn gewoon klaar. Niet omdat ze slecht waren, maar omdat ze ophouden te bestaan. Het leven hier bij Sluis is opvallend ongeïnteresseerd in mijn persoonlijke verhaal. Ik kijk naar de wilg en zie dat het midden nooit meer terugkomt, maar dat de boom er toch nog staat. Anders, schever, met een leegte die geen gebrek is, maar een voorwaarde voor wat er nu groeit. Ik zet mijn fiets rechtop en loop naar het pad. De wind grijpt meteen mijn gezicht. Ik loop een stuk met de fiets aan mijn hand.
Er dient zich geen inzicht aan. Geen afronding, geen les die ik kan opschrijven en later herhaal. Ik ervaar alleen een kleine verschuiving, nauwelijks merkbaar. Alsof het pad achter me vervaagt en het teruggaan stilvalt. Dat ik, hoe aarzelend ook, meebeweeg met wat er is. Niet omdat ik weet waarheen maar omdat er, terwijl ik blijf lopen, onder mijn voeten toch een richting ontstaat.
Fotografie: © Oscar van Beest 2026
Wij werken samen met:








